Op de foto boven dit stuk sta ik in een enorm landschap met twee zwarte veren in mijn handen. Ik zie eruit alsof ik zojuist de bewoonde wereld heb afgezworen en voortaan uitsluitend op intuïtie, frisse lucht en vulkanisch gesteente zal leven.
Dat is niet gebeurd.
Ik heb jarenlang een hele inefficiënte relatie met social media gehad: ik postte helemaal niet zo veel en wist het toch een behoorlijk deel van mijn aandacht te laten innemen. Als er een prijs bestaat voor maximale mentale ruis uit minimale output halen, wil ik niet opscheppen, maar ik maakte kans.
Ik was vooral een gluurder. Nog steeds wel, op Instagram bijvoorbeeld. Ik vind het leuk om af en toe mensen die ik ken voorbij te zien komen en mezelf bij vriendinnen in een Story terug te zien als we weer eens op boevenpad waren, maar zelf posten? Nauwelijks behoefte aan.
En áls ik iets plaatste, was zelfs dat zelden zo achteloos als het van buitenaf leek. Eerst de foto. Dan toch die andere. Tekst erbij. Of niks. Was dit überhaupt leuk genoeg om te delen? Waarom dacht ik hier inmiddels al zo lang over na?
En zodra het erop stond begon natuurlijk de tweede helft van het werk.
Toch nog even kijken. Wie had het gezien?
Ik ben natuurlijk geen influencer. Ik observeer veel liever. Toch bleek ik uitstekend in staat een onbetaalde socialmedia-afdeling in mijn eigen hoofd te huisvesten.
Het vreemdste was misschien dat die afdeling ook werkte wanneer ik helemaal niets plaatste. Een etentje kon gewoon een etentje zijn en ergens aan de rand van het beeld alvast een foto. Een mooie plek was een mooie plek en tegelijk een mogelijke Story. Een halve gedachte kon nog bezig zijn een gedachte te worden en toch al even langs het interne keuringsbureau komen waar iemand blijkbaar beoordeelde of er misschien iets mee kon.
Niet voortdurend. Niet dramatisch. Juist daarom duurde het zo lang voordat ik doorhad dat ik het vermoeiend vond. Andere mensen leken er veel meer tijd en stress aan kwijt te zijn, dus bij mij viel het blijkbaar wel mee.
Dacht ik. Ondertussen keek ik best veel.
Na een tijdje nauwelijks op Instagram te zijn geweest logde ik weer eens in en kreeg ik binnen een paar swipes ongeveer de volledige moderne contentindustrie over me heen. Eerst diepe, rauwe emoties en teksten over vertragen en ‘vrouwelijke energie’, een moment later biologische wol, yoghurt, fucking smeerkaas en een gesponsorde vakantie. Kinderen erbij. Alles in dezelfde intieme stem.
Ik zat ernaar te kijken alsof het kanaal halverwege de uitzending van genre was veranderd.
De reclame zelf is trouwens óók een onderwerp. Wat me écht steeds meer begon tegen te staan was dat alles materiaal leek te worden. Het leven van iemand. Jezelf verkopen. Tegen welke prijs? Heb je het zelf nog door? Dat dacht ik steeds vaker.
Het beeld van dancing monkeys liet me niet meer los. Nog één trucje, nog één onthulling, nog één intiem detail, want het vorige is inmiddels alweer gewoon geworden.
Soms zie je iemand bijna live in het eigen format veranderen. En dan denk ik echt: waar houdt de persoon op en begint het merk?
Ik vind dat oprecht heftig. Dystopisch zelfs.
Heel persoonlijk verdriet. Spiritualiteit. Een huwelijk. Kinderen. Rust. Nieuwe kinderkledingmerken. Supplementen. Activia.
En het probleem met een publiek dat gewend raakt aan intensiteit is natuurlijk dat je volgende openbaring ook weer iets moet doen.
Verdriet heeft online ook een soort inflatie.
Kwetsbaar wordt rauw, rauw wordt rock bottom en daarna volgt gelukkig de transformatie.
Maar jubel heeft precies hetzelfde probleem. Blij wordt dolgelukkig, dolgelukkig wordt nog nooit zo gelukkig geweest en vóór je het weet heeft iemand op dinsdag eindelijk begrepen hoe het hele leven voor iedereen werkt. Jippie!
Lijkt me wel een uitermate lastig format, want woensdag moet je daar natuurlijk weer overheen. Ad infinitum.
Als je gisteren je diepste waarheid ooit hebt gevonden, heb je vandaag gewoon een productieprobleem.
En even serieus: als ik werkelijk ergens zit te huilen, is mijn eerste gedachte niet waar staat mijn statief?
Als ik eerst mijn statief pak, het kader bepaal, de camera aanzet en daarna weer ga zitten huilen, is er in ieder geval méér gaande dan alleen verdriet. Ik heb trouwens ook niet zo’n driepoot maar dat is besides the point.
Dat betekent niet automatisch dat de tranen nep zijn. Iemand kan oprecht verdrietig zijn en tegelijkertijd besluiten dat verdriet te filmen. Mensen zijn ingewikkeld genoeg om meerdere dingen tegelijk te doen. Sure. Maar onschuldig is het vaak niet.
Want zodra die camera staat gebeurt er wel degelijk iets extra’s. Je bent verdrietig én je kijkt naar jezelf die verdrietig is. Je kiest een kader, een moment, misschien een take. Je weet dat anderen dit straks gaan zien. Misschien een tweede take nu die tranen toch stromen?
Er verschijnt een tweede blik naast je daadwerkelijke ervaring.
En dát vind ik uiteindelijk heel veel interessanter dan de eeuwige internetvraag of iemand ‘authentiek’ is.
Wat gebeurt er met een echte ervaring zodra ze óók als verhaal voor een publiek moet functioneren? Performen zelfs.
Want als gisteren kwetsbaar was, moet vandaag misschien rauw zijn. Als vorig jaar een journey was, kan dit jaar moeilijk eindigen met: nou ja, gaat eigenlijk wel prima.
Op een gegeven moment concurreer je niet alleen met andere mensen om aandacht.
Je concurreert ook met je eigen vorige aflevering.
En ondertussen gebeurde er met gewone dagen helemaal niets.
Die weigeren namelijk koppig een verhaallijn te krijgen. Je werkt, vergeet waarom je naar boven liep, leest zeven pagina’s van een boek, zoekt vervolgens iets op wat daar zijdelings in werd genoemd en bent twintig minuten later volkomen onnodig deskundig op een terrein waarvan je die ochtend het bestaan nog niet kende. Je eet iets wat prima was, ergert je tien minuten aan iemand en een uur later ben je het alweer vergeten.
Geen catharsis. Niemand heeft iets geheeld. Er is gewoon een dag geweest.
Heerlijk. De leven.
Het vervelende voor mijn hele analyse is natuurlijk dat ik zelf ook gewoon een mens ben.
Ik heb de irritante gewoonte om aan een stuk te beginnen over de hypocrisie van ándere mensen en mezelf vervolgens ergens halverwege in de heel hard tegen te komen. Dan zit ik daar ineens, naast het bewijsstuk waar ik vijf minuten eerder nog bijzonder tevreden mee was.
Mensen hè. Blijk ik er zelf ook één. Irritant.
Op een gegeven moment dacht ik dus dat ik helemaal klaar was met social media. Of in ieder geval met het soort social media waar ik tot dan toe vooral rondhing. Lekker gluurde. Ik stopte grotendeels met Meta, voelde me daar ongeveer drie seconden principieel over en ging verder met mijn leven.
En toen vond ik Substack. Lekker bezig!
Ik schrijf inmiddels notes. Ik reageer, restack, publiceer stukken. Ik vind het superleuk. En inmiddels weet ik ook zelfs dat followers en subscribers blijkbaar twee verschillende categorieën mensen zijn. Kennis die ik een paar maanden geleden uitstekend niet bezat.
Er zijn grenzen aan persoonlijke ontwikkeling.
In juni schreef ik dit nog:
Kijk mij gaan. Blijkbaar was mijn bezwaar niet per se groei.
Ik wilde alleen nog weten waarvoor.
En laat ik hier meteen iets oplossen wat op Substack zelf kennelijk nog niet overal is doorgedrongen: Substack is social media.
Er loopt hier een verrassend grote groep mensen rond die met grote stelligheid vertelt dat ze ‘van social media af’ zijn. Que?
Dit staat dan ook in een Note. Aan hun followers.
Waarop mensen vervolgens liken, reageren en restacken.
Ik vind dat prachtig. Het is ongeveer alsof je in de kroeg aankondigt dat je gestopt bent met uitgaan.
Substack is social media. Het heeft alleen langere alinea’s en veel mensen die Hannah Arendt hebben gelezen. Tenminste, dat vertelt het algoritme mij. Het algoritme wordt daar niet minder algoritmisch van.
Ik zeg dit als iemand die actief participeert en oprecht blij wordt wanneer iets ineens buiten mijn eigen kring belandt. Ik sta hier bepaald niet boven.
Ik ben dus niet ontsnapt. En toch voelt het voor mij anders. Gek hoe dat werkt he.
Dat vind ik eigenlijk het boeiendste gedeelte, juist omdat ik nog steeds niet precies weet waarom.
Maar, en dit is het rare, dit is de eerste keer in mijn leven dat ik social media echt leuk vind. Niet nuttig. Niet noodzakelijk voor mijn werk.
Gewoon leuk. Dat is nieuw.
Een deel zit waarschijnlijk in iets heel simpels: ik hou verschrikkelijk veel van lezen en sinds kort ook schrijven. Hier kom ik mensen vaak tegen doordat ze een onderwerp hebben. Iemand weet ineens absurd veel over voedselgeschiedenis, architectuur, moederschap, romans, economie, seks, tuinen, ziekte, technologie of een vergeten vrouw uit 1847 en voor ik het weet ben ik twintig minuten verder en wil ik weten waarom ik hier nooit eerder iets over heb gehoord.
Misschien bestaat dit alles al veel langer en zie ik ze nu pas, maar het voelt alsof ik er steeds meer tegenkom. En daar word ik echt blij van! Namen beginnen terug te keren. Mensen reageren bij elkaar. Iemand restackt iets waardoor je een schrijver ontdekt waar je anders nooit terecht was gekomen. Een gesprek duikt drie dagen later ergens anders weer op.
Het voelt, ironisch genoeg, socialer.
En er zijn meerdere snelheden mogelijk. Iemand kan drie regels schrijven over een onhandige opmerking en een week later vijfduizend woorden over de verzorgingsstaat publiceren. Een grap hoeft niet eerst een thought-leadershipstrategie te krijgen (hallo LinkedIn! Jou mag ik ook echt niet).
Dit past nogal goed bij hoe mijn eigen hoofd werkt.
Ik heb nog nooit ‘even iets opgezocht’. Nou ja, met de manosphere was ik redelijk snel klaar; ik steek mijn tijd liever in vrouwen, mannen zijn inmiddels uitvoerig gedocumenteerd. Maar verder wordt vaak één vraag drie zijpaden, een paper, een etymologie, een interview uit 2009 en voor ik het weet zit ik in een rabbit hole.
PARELS is voor een groot deel gewoon wat er gebeurt wanneer ik zo’n rabbit hole niet meer wegklik.
Ik schrijf omdat ik wil weten hoe iets zit en merk onderweg vaak pas wat ik er eigenlijk van vind, of waarom ik iets überhaupt op die manier zie. Daarna wil ik natuurlijk weten of ik daar ook een fatsoenlijke onderbouwing voor kan vinden. Soms verandert mijn mening onderweg. Dat vind ik misschien nog wel het leukste.
Ik schreef over vrouwelijke lust en kwam een interne cameraman tegen die blijkbaar gezellig mee in bed lag. Ik wilde begrijpen waarom sommige mensen zo overtuigend klinken wanneer ze zeggen dat ze gewoon ‘de beste’ kiezen en eindigde bij de vraag wie in hemelsnaam de rekenmachine had ingesteld. Ik keek Crazy Ex-Girlfriend omdat ik de serie grappig vind en stond vervolgens ineens met één been in de geschiedenis van hysterie. * Daarover trouwens later veel meer: in oktober begin ik hier een drieluik over vrouwelijke geneeskunde en psychiatrie. Die geschiedenis is zó krankzinnig dat ik mezelf nu al moet tegenhouden om niet meteen af te slaan.
Vorige week had ik meningen over mos op beton.
Deze week over Alexandria Ocasio-Cortez. (Go girl!)
Eerder deze week had ik me eindelijk voorgenomen weer met mijn 2-uur wandelen per dag routine te beginnen, ging ik totaal lomp door mijn enkel en wist ik dat kunststukje bovendien helemaal solo uit te voeren terwijl ik gewoon opstond van een bankje in mijn tuin. Lekker schrijven dan maar met pootje omhoog.
Een leven kan blijkbaar meerdere genres tegelijk verdragen.
Misschien is dat uiteindelijk wat ik hier teruggevonden heb: niet een zuiverder internet, maar een plek waar mijn nieuwsgierigheid iets vaker vóór mijn verpakking komt.
Daarmee wil ik Substack absoluut niet tot een digitale natuurtuin verklaren waar algoritmen tussen de wilde bloemen dartelen en niemand ooit naar bereik kijkt. Nee.
Ook hier kun je jezelf uitstekend gek maken met groei. Er zijn genoeg accounts die precies vertellen welke openingszin converteert en hoeveel keer per week een mens zich idealiter aan zijn medemens moet vertonen — opvallend vaak behoorlijk grote accounts trouwens.
En natuurlijk wil ik zelf ook groeien. Ik vind het fantastisch als een Note ineens bij mensen terechtkomt die nog nooit van mij hebben gehoord. Maar ondertussen gebeurt er iets wat ik leuker vind: namen gaan terugkomen, mensen zetten me op een ander spoor, iemand laat me iets zien wat ik anders gemist had.
Hier voelt schrijven daardoor vaker als het gevolg van nieuwsgierigheid. Ik werk iets voor mezelf uit en kom onderweg meestal met betere vragen terug dan waarmee ik begon. Leren en van mening mogen veranderen is misschien gewoon mijn echte hobby.
Soms wordt een mok waar ik medelijden mee heb vervolgens drie regels op internet, omdat ik blijkbaar gevoelens heb voor dingen die niet eens leven.
HEER-LUK.
Dat is misschien wel het stukje dat ik kwijt was. De mogelijkheid dat iets interessant, mooi, irritant, grappig of verdrietig kan zijn zonder dat het onmiddellijk een volgende functie krijgt.
We zijn daar trouwens als cultuur überhaupt nogal goed in geworden. Rust kan tegenwoordig van alles worden voordat iemand daadwerkelijk een uur op de bank heeft gelegen. Je moet het wél echt verdienen! En er wat voor over hebben!
Ik schreef ooit over healing omdat ik me begon af te vragen wanneer herstellen iets werd waar je aantoonbaar beter in kon worden. Bizar is het.
En toen kwam ik deze week een versie tegen waarin die reflex ineens een stuk minder onschuldig werd.
Ik las deze week op Substack een behoorlijk verontrustend stuk van Margarit Davtian over Nicole LePera, online beter bekend als The Holistic Psychologist. Davtian schrijft vanuit de nogal interessante positie van iemand die er zelf ooit vol in zat: ze volgde LePera vroeg, ging naar een live sessie, sloot zich aan bij haar betaalde SelfHealers Circle en beschrijft heel overtuigend waarom die wereld aanvankelijk juist zo aantrekkelijk was.
Ze voelde zich gezien.
En dat is belangrijk. Davtian schrijft later namelijk ook dat niet alles onzin was. Sommige dingen hielpen haar daadwerkelijk; de community die ze vond was echt. Precies dát maakte het overtuigend. Als alles vanaf dag één aantoonbare bullshit was geweest, was dit een veel minder interessant verhaal.
Iets hoeft niet nep te zijn om je alsnog een systeem in te trekken.
LePera bood taal voor ervaringen waarvoor mensen vaak nog geen taal hadden. Trauma. Hypervigilantie. Het zenuwstelsel. Coping. Patronen uit je jeugd. Grenzen. Dingen die iemand werkelijk kunnen helpen om iets aan zichzelf te begrijpen.
Alleen beschrijft Davtian hoe die taal op een gegeven moment steeds meer een compleet verklaringsmodel werd. Een kader waarin bijna alles opnieuw betekenis kreeg: je verdriet, je woede, je relaties, jij, jij, jij!
Zij noemt dat epistemic control. Ik schreef eerder al over epistemische arrogantie en dit was weer een andere variant waar ik nog geen woord voor had. En zoals dat nogal vaak bij mij gaat: zodra ik ergens taal voor krijg, zie ik het ineens overal.
Het mechanisme is subtiel. Iemand vertelt je niet alleen wat je moet doen, maar levert alvast het verhaal waarmee jij leert begrijpen wat jouw eigen ervaring betekent.
Je bent niet gewoon verdrietig; het is een traumarespons. Je woede wordt een attachment wound. Je relatie een patroon. En als je na al dat werk nog steeds vastloopt, ligt de volgende opdracht alweer klaar: nóg meer werk aan jezelf.
Pull yourself up by your bootstraps, maar dan met journaling.
En natuurlijk eventueel een cursus.
En ergens wordt het moeilijk om buiten dat systeem nog iets te ervaren zonder het meteen door dezelfde vertaallaag te halen.
Dat is voor mij een veel interessantere vorm van invloed dan een influencer die toevallig te vaak haar tranen filmt. Want zodra iemand niet alleen laat zien hoe zij leeft, maar óók een model aanbiedt waarmee jij leert verklaren waarom jij voelt wat jij voelt, verandert content langzaam in autoriteit.
Als daar vervolgens boeken, memberships, cursussen en een commerciële wereld omheen staan, wordt persoonlijke groei ook gewoon een businessmodel.
Davtian beschrijft bovendien hoe ze juist begon af te haken toen de wereld buiten die healingwereld steeds nadrukkelijker haar kamer binnenkwam (pandemie, racisme, oorlog, geweld) en daar binnen het model nauwelijks plaats voor bleek. De route bleef naar binnen lopen; individuele healing als weg naar collectieve healing.
Dat herken ik maar al te goed.
Laf noem ik dat.
Als alles met alles verbonden is totdat het over racisme, oorlog of macht gaat, blijkt ‘holistisch’ ineens een verrassend klein woord.
Niet omdat naar binnen kijken waardeloos is. Natuurlijk niet.
Maar sommige dingen gebeuren daadwerkelijk buiten jou.
Soms ben je niet ontregeld omdat je nog een inner child-oefening moet doen. Soms is je huur te hoog. Soms is je werk kut georganiseerd. Vaak is een systeem racistisch en/of seksistisch. Soms is iemand gewoon een lul.
Het lijkt me vrij essentieel dat we die mogelijkheden beschikbaar houden.
En Davtians belangrijkste punt vind ik daarom niet eens dat een beroemde wellnesspersoon misschien hypocriet is. Mensen zijn hypocriet. Ik ben ongeveer drie alinea’s verwijderd van mijn eigen bewijs daarvoor.
Het veel interessantere gevaar zit in de vraag: wie krijgt te bepalen wat jouw ervaring betekent?
Dat is nogal intiem terrein om uit te besteden aan iemand die je kent van je telefoon.
Als je zin hebt om dit konijnenhol veel verder in te gaan: lees onderstaande stuk.
En daar kwam ik dus weer uit bij dezelfde reflex waarmee dit hele verhaal begon. Een ervaring krijgt razendsnel een uitleg, een functie, een projectplan.
Misschien was dat uiteindelijk het vermoeiendste. Niet één kwaadaardige app, niet een generatie narcisten die plotseling vergeten was hoe gevoelens werken en ook geen eenvoudige oorlog tussen Instagram slecht en Substack goed.
Gewoon het gevoel dat alles alvast een volgende functie kon krijgen.
Een mening werd positionering. Een moment materiaal. Een hobby content. Verdriet kreeg een verhaallijn. Jubel een vervolgseizoen.
Zelfs stoppen met social media blijkt overigens uitstekend bruikbaar voor een artikel over social media.
Ik hoor het zelf ook.
Wat ik terug wilde was blijkbaar geen leven zonder social media. Ik wilde iets veel kleiners: meer zeggenschap over mijn eigen aandacht. Over wáár ik kijk. Wat ik deel. Welke gedachte nog een paar dagen half mag zijn. Wat gewoon van mij blijft.
En vooral over wanneer ik mezelf alvast door de ogen van een publiek begin te bekijken. Oef. Spectatoring. Daar vond ik toevallig al iets van.
Ik doe nu meer met social media dan ooit tevoren: ik schrijf, reageer, restack, like en wat dies meer zij.
Dat is de hele paradox.
Vroeger liep de mogelijke blik van een publiek vaker vóór mij uit. Nu komt het publiek vaker later.
En soms komt er iets op mijn pad en denk ik daarna: hier wil ik iets mee.
Ik wilde dus helemaal niet verdwijnen van social media.
Ik wilde weer iets hebben vóórdat ik het deelde.
En zelf bepalen wanneer het een verhaal werd.
Een dinsdag mocht gewoon dinsdag blijven.
Helaas.
Ik haat dinsdagen.
Nieuw? Begin bij Raquel's Edit - een kleine selectie stukken die ongeveer laat zien waar je beland bent.






Hear hear! Je haalt in sommige stukken echt de woorden uit m’n mond, alleen had ik ze nog niet gesproken. Fijn dat jij ze hebt geschreven! Is dat stilzitten met je enkel toch ergens goed voor ;)
Haha aaah thanks 💗 En je die stomme enkel, bijna weer over geloof ik 🧚♀️🤞🏻