Er is iets wonderlijks aan een toelatingsexamen dat gewoon doorgaat nadat de kandidaat de halve examencommissie inmiddels heeft overtroffen.
Sarina Wiegman heeft drie Europese kampioenschappen op rij gewonnen, eerst met Nederland en daarna twee keer met Engeland, en bereikte als eerste voetbalcoach, man of vrouw, vijf opeenvolgende finales van grote internationale toernooien. Dat is zo’n cv waarbij je op een gegeven moment zou verwachten dat de vraag kan zij dit eigenlijk wel? vanzelf plaatsmaakt voor iets als wat weet zij kennelijk over dit vak wat heel veel andere mensen niet weten?
Welkom bij Patriarchy #3 - dit is een doorlopende serie.
Hier lees je #1 en #2.
Toch kon afgelopen zomer in Nederland opnieuw volkomen serieus worden besproken of zij geschikt zou zijn om het Nederlands mannenelftal te coachen. Pierre van Hooijdonk vond van niet. Wiegman miste volgens hem ervaring op het allerhoogste niveau in een mannenwereld; daarnaast kwamen de andere dynamiek van het mannenvoetbal en haar vermeende gebrek aan geloofwaardigheid tegenover mannelijke spelers ter sprake. I kid you not. En alsof dat nog niet genoeg was, werd zelfs de culturele achtergrond van sommige spelers erbij gehaald, alsof seksisme vooral een probleem van ándere culturen is, terwijl het hier zojuist keurig als Nederlandse voetbalanalyse werd verpakt.
Dat zinnetje over het hoogste niveau bleef bij mij liggen. Je mag Wiegman uiteraard kritisch beoordelen (graag zelfs, het zou nogal ongezond zijn als iedere succesvolle vrouw voortaan uitsluitend met vioolmuziek, confetti en een staande ovatie benaderd mocht worden) maar omdat het hoogste niveau hier blijkbaar synoniem is met de mannenwereld. Haar ervaring is enorm; alleen bevindt die ervaring zich in een vakje dat we ooit als afwijking hebben ingericht. Mannenvoetbal kan simpelweg voetbal zijn terwijl vrouwenvoetbal zijn bijvoeglijk naamwoord houdt, en voor je het weet zit de hiërarchie al in de grammatica voordat iemand überhaupt een inhoudelijk argument heeft hoeven geven.
Het wordt nog merkwaardiger wanneer je de redenering omdraait. Het Nederlands vrouwenelftal werd tot 2024 gecoacht door Andries Jonker; de Oranje-hockeyvrouwen staan op dit moment onder leiding van Raoul Ehren, de volleybalvrouwen van Felix Koslowski en de handbalvrouwen van Henrik Signell. In de tenniswereld is het al decennialang volkomen normaal dat mannelijke coaches met vrouwelijke topspelers de wereld rondreizen. Kennelijk kunnen mannen dus probleemloos leidinggeven aan vrouwen zonder vooraf eerst een paar jaar in de mysterieuze vrouwenwereld te moeten acclimatiseren. En dan laten we de goed gedocumenteerde geschiedenis van seksueel grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik in de sport nog buiten beschouwing. Want opmerkelijk genoeg heeft dát nooit geleid tot een algemene geschiktheidstest voor mannelijke coaches in vrouwenomgevingen. De man blijft individu. Bij de vrouw wordt haar sekse categorie.
Als mannen en vrouwen werkelijk zo fundamenteel verschillen dat de ene groep de andere niet geloofwaardig kan leiden, zou die redenering twee kanten op moeten werken.
Dat doet hij niet.
Dus gaat dit niet simpelweg over verschil.
Het gaat over welke kant we als vanzelfsprekend bovenaan hebben gezet.
In mijn Note van juli noemde ik het nog wat minder netjes: call it what it is.
Goor seksisme. Netjes verpakt.
Onder een bericht dat ik over deze discussie schreef, verscheen vervolgens een vraag die op het eerste gezicht keurig klonk:
Maar wat zegt Sarina er zelf eigenlijk over?
Wiegman had daar trouwens eerder al een antwoord op gegeven. Ze zei al in 2023 dat ze het vreemd vindt dat voetbal nog steeds de vraag stelt of een vrouw een mannenteam kan coachen terwijl vrouwen in allerlei andere sectoren hoge posities bekleden, en dat zij denkt dat een vrouw dat prima kan. Haar eigen aandacht lag op dat moment eenvoudig bij haar huidige werk. Ze heeft bovendien zelf al binnen het Nederlandse professionele mannenvoetbal gewerkt bij Sparta Rotterdam.
Alleen is wat Wiegman persoonlijk met haar volgende baan wil voor de vraag die ik stelde eigenlijk volkomen irrelevant. Het punt was niet haar carrièreplanning, maar het feit dat haar geschiktheid vooraf al ter discussie werd gesteld met een criterium dat uitsluitend ontstaat doordat zij een vrouw is: zij mist ervaring in een mannenwereld. Haar resultaten vormen het probleem niet; haar sekse wordt het probleem.
Hebben we het haar wel gevraagd? klinkt vervolgens als een heel zorgvuldige vraag, maar het is hier een wisseltruc. De seksistische diskwalificatie verdwijnt uit het midden van het gesprek en de vrouw die ermee wordt geconfronteerd wordt er zelf voor gezet, alsof een scheve meetlat pas een probleem wordt wanneer zij persoonlijk verklaart dat ze er last van heeft. Wil Wiegman die baan niet, dan wordt het seksisme kennelijk minder relevant; wil ze hem wel, dan kan onmiddellijk de volgende toelatingsronde beginnen over de kleedkamer, haar stijl, de spelers, hun achtergrond, hun gevoelens en hun bereidheid haar gezag te accepteren.
Dat is niet neutraal en ook niet bijzonder redelijk. Je verplaatst de vraag van het criterium dat haar uitsluit naar de vrouw die wordt uitgesloten.
Nog mooier wordt het wanneer je dát benoemt en vervolgens jouw scherpte het nieuwe probleem wordt. Eerst verdwijnt de seksistische handeling uit beeld, daarna moet degene die hem terug in beeld zet uitleggen waarom ze dat niet vriendelijker deed, terwijl degene die de discussie verschoof zich gekwetst kan voelen omdat die verschuiving wordt aangewezen.
Dat gekwetste gevoel mag werkelijk bestaan. Het maakt de analyse niet onredelijk.
Redelijkheid die begint bij een ongelijke uitgangspositie wordt niet neutraal omdat iedereen rustig praat.
Dat is ongeveer waar dit derde deel van Patriarchy begint.
Niet bij een klein legertje ouderwetse mannen dat openlijk roept dat vrouwen ergens niet thuishoren (die versie maakt het gewoon makkelijk, want je weet tenminste waar het hek staat) maar bij een veel taaier mechanisme waarin een bestaande norm zichzelf kan presenteren als kwaliteit, professionaliteit, realisme, smaak, objectiviteit, verbinding, bewijs, ervaring, merit, draagvlak of gezond verstand. En waarna de mensen die hem reproduceren helemaal niet meer hoeven te denken dat zij een patriarchale poort bewaken. En dat denken doen ze dan ook niet.
Ze bewaken immers iets veel respectabelers.
Ze zijn gewoon redelijk.
Toen de poort tenminste nog een bordje had
Vrouwenvoetbal is voor dit verhaal irritant bruikbaar omdat de poort hier ooit nauwelijks een metafoor was. De Engelse voetbalbond FA verklaarde in december 1921 voetbal “quite unsuitable for females” en verbood vrouwenwedstrijden op de terreinen van aangesloten clubs. Dit juist in een periode waarin het vrouwenvoetbal enorme aantallen toeschouwers trok. Vrouwen bleven voetballen, maar werden tientallen jaren naar kleinere velden en parken geduwd.
Dat soort gatekeeping is in ieder geval administratief overzichtelijk. Er bestaat een regel, je weet ongeveer wie hem heeft gemaakt en de deur is zichtbaar dicht. Wanneer iemand later beweert dat er helemaal geen uitsluiting was, kun je desgewenst de notulen uit het archief trekken.
Veel interessanter wordt het wanneer niemand meer hoeft op te schrijven dat vrouwen ongeschikt zijn, omdat de definitie van geschikt zelf genoeg geschiedenis bevat om het selectiewerk over te nemen.
Onderzoek noemt zulke patronen masculine defaults: eigenschappen, gedragingen en verwachtingen die historisch sterker met mannen verbonden raakten en vervolgens niet meer als mannelijk, maar als standaard, normaal, neutraal of noodzakelijk werden gelezen.
Een organisatie hoeft leiderschap nergens mannelijk te noemen wanneer executive presence toevallig sterk lijkt op de mensen die er al tientallen jaren bovenaan zitten. Een carrièrepad hoeft niemand formeel uit te sluiten wanneer de ideale werknemer permanent beschikbaar moet zijn, gemakkelijk lange dagen maakt, zich zonder onderbrekingen door een loopbaan beweegt, tot laat kan vergaderen, veel kan reizen en kennelijk een privéleven bezit dat zich opvallend behulpzaam om betaald werk heen vouwt.
Daar zit bovendien een nog fundamentelere aanname onder: onze zogenaamd abstracte standaardmens is helemaal niet zo abstract.
Onderzoek naar de ideal worker norm beschrijft hoe organisaties lange tijd zijn ingericht rond een werknemer voor wie betaald werk de eerste verantwoordelijkheid kan zijn. Recenter onderzoek maakt de impliciete biografie daarvan expliciet en beschrijft die ideale werknemer als wit, mannelijk, middenklasse en able-bodied; waarbij andere analyses daar ook cisgender en heteroseksualiteit aan toevoegen. Dat betekent vanzelfsprekend niet dat iedere witte heteroseksuele man rijk, machtig of zonder problemen is. Het betekent wel dat sommige lichamen en levens veel minder vaak eerst hoeven uit te leggen waarom zij afwijken van degene voor wie de omgeving oorspronkelijk is ontworpen.
De standaardmens bestaat niet. Hij is vooral degene voor wie de wereld het minst vaak om uitleg vraagt.
Dat schreef ik hier eerder over en eigenlijk zit de hele truc daarin. De ongemarkeerde mens heeft niet géén gender, ras, seksualiteit, lichaam of klasse; sommige van die kenmerken zijn alleen zo lang als uitgangspunt in onze instituties ingebouwd dat ze veel minder vaak als kenmerken verschijnen. In veel westerse instituties lijkt die nulmeting verdacht vaak op de witte, cisgender, heteroseksuele, able-bodied man: degene wiens identiteit het minst vaak als identiteit hoeft te worden benoemd.
De norm heeft dus niet minder identiteit.
De norm hoeft haar identiteit alleen minder vaak uit te leggen.
Dat verschil is enorm.
Want zodra één mens jarenlang ongemarkeerd voor mens mag doorgaan, krijgt iedereen die verder van die positie afstaat vanzelf een bijvoeglijk naamwoord.
De vrouw. De zwarte werknemer. De queer kandidaat. De gehandicapte collega. De migrant. De moeder.
De standaard zelf houdt ondertussen wonderlijk weinig identiteit over. Die ís gewoon zo.
Daarom is de norm ook zo lastig te zien: hij ervaart zichzelf niet als perspectief. Hij ervaart zichzelf als vertrekpunt.
En precies daar kan iemand progressief, links, feministisch of volkomen overtuigd van gelijkheid zijn en tóch vanuit dezelfde oude nulmeting blijven redeneren. Dat is de crux. Je kunt de uitkomst van een systeem willen veranderen zonder te merken dat je het uitgangspunt nog steeds intact laat.
Dat is misschien wel de hardnekkigste versie.
De film Be a Lady They Said zo goed omdat die eindeloze tegenstrijdigheid daarin bijna fysiek voelbaar wordt: wees sexy maar niet ordinair, dun maar niet te dun, krachtig maar niet intimiderend, onafhankelijk maar toch aantrekkelijk genoeg binnen precies dezelfde blik die je geacht wordt te negeren.
Psychologen Alice Eagly en Steven Karau beschreven met hun role congruity theory waarom die meetlat voor vrouwelijke leiders zo makkelijk dubbel wordt. Eigenschappen die traditioneel met leiderschap worden verbonden (autoriteit, daadkracht, ambitie, dominantie) sluiten cultureel gemakkelijker aan op het stereotype van een man. Een vrouw kan daardoor eerst minder vanzelfsprekend als leider worden gezien en daarna, zodra ze precies dat gedrag vertoont, juist harder worden afgerekend omdat ze minder voldoet aan wat een vrouw geacht wordt te zijn.
Daaronder zit iets nog fundamentelers: we kunnen vrouwen formeel gelijkwaardig verklaren terwijl vrouwelijkheid zelf cultureel nog steeds status kan verlagen. Een man vernederen door hem een meisje, wijf, hysterisch of onder de plak te noemen werkt alleen omdat iedereen de rangorde al begrijpt. Bij meisjes is het veel meer geaccepteerd ze in blauwe kleertjes te kleden dan kleine jongetjes geheel in het roze.
Je hoeft vrouwen vervolgens nergens te vertellen dat ze zich mannelijker moeten gedragen; consequent belonen wat professioneel, krachtig of leiderschap heet doet veel subtieler hetzelfde werk.
Nieuw onderzoek naar wat de auteurs de competence shield noemen maakt die double bind nog interessanter. Wanneer de competentie van een vrouwelijke leider onmiskenbaar vaststaat, neemt de sociale straf voor dominant gedrag af. Bij hoge waargenomen competentie verdween in de studies het verschil tussen dominante mannelijke en vrouwelijke leiders. Dat kun je als goed nieuws lezen, maar onder die uitkomst zit ook een nogal absurd toelatingseisje verstopt: een vrouw kan kennelijk eerst extra bewijs van haar competentie nodig hebben voordat gedrag dat bij leiderschap hoort ook bij háár gewoon als leiderschap wordt geïnterpreteerd. De lat ligt dus vele malen hoger.
Sarina Wiegman heeft inmiddels ongeveer een competence shield ter grootte van Wembley bij elkaar gewonnen.
En het examen loopt gewoon door.
Nog drie keuringsloketten die zichzelf hartstikke redelijk vinden
De eerste stond hierboven al pontificaal bij de voetbalpoort. Sinds ik aan dit stuk begon, kwam ik nog drie varianten bijna in realtime tegen. Ik maak de mensen erachter bewust grotendeels onherkenbaar, omdat het mij niet om vier individuele boosdoeners gaat maar om de manier waarop dezelfde historische norm via heel verschillende soorten redelijkheid opnieuw binnenkomt.
Gatekeeping is hier geen persoonlijkheidsdiagnose. Het is een mechanisme: het moment waarop de bestaande norm bepaalt welk argument toegang krijgt, welke ervaring als bewijs telt, wie zich moet aanpassen, welk ongemak gewicht krijgt en welke vraag überhaupt nog relevant wordt gevonden.
1. Het keuringsloket waar ieder systeem eindigt bij ‘bij ons thuis gaat het anders’
Een andere variant zag ik in mijn discussie over arbeidstijd, waarin ik niet probeerde te bewijzen dat één specifieke kortere werkweek universeel de beste oplossing is, maar veel fundamenteler wilde onderzoeken waarom we betaald werk als eerste in een dag en week vastzetten en al het andere leven daar vervolgens omheen proberen te proppen.
Als we tóch praten over minder betaalde uren, waarom onderzoeken we dan niet wat vijf kortere werkdagen doen in plaats van vier traditionele dagen? School, mantelzorg, eten, kinderen, huishouden en ander noodzakelijk werk hebben namelijk de vervelende gewoonte zich niet uitsluitend op vrijdag voor te doen.
Sophie van Gool schreef recent vanuit een andere hoek heel interessant over dezelfde vraag wat we eigenlijk als waardevol werk behandelen.
Wat daarna in zulke gesprekken gemakkelijk gebeurt, is dat een structurele vraag wordt beantwoord met individuele mogelijkheden: sommige mensen vinden vier dagen fijner, sommige mannen gaan minder werken, sommige stellen verdelen de zorg keurig, werkgevers zijn flexibel en in andere huishoudens werkt alles werkelijk uitstekend.
Dat kan allemaal waar zijn.
De vraag over de norm staat daarna nog steeds recht overeind.
Bij ons gaat het anders is geen weerlegging van een patroon. Precies zoals mijn eigen mogelijkheid om op een hete dag verkoeling te zoeken niets bewijst over de mate waarin Nederlandse huizen, wijken en arbeidsomstandigheden bestand zijn tegen hitte. Een privé-oplossing kan fantastisch zijn en tegelijkertijd niets zeggen over de toegankelijkheid van die oplossing voor iemand anders.
Zodra een maatschappelijk gevormde uitkomst persoonlijke keuze gaat heten, kunnen de gevolgen ervan vervolgens keurig worden teruggegeven aan het individu.
Een systeem organiseert de omstandigheden, noemt de uitkomst voorkeur en gebruikt die voorkeur vervolgens als bewijs dat het systeem kennelijk precies geeft wat mensen zelf wilden.
Dat is een prachtig rondje.
2. Het keuringsloket dat ineens jouw toon gaat onderzoeken
Nog vermoeiender wordt het wanneer het onderwerp tijdens een gesprek simpelweg verhuist. Je maakt een inhoudelijk punt en iemand zegt dat hij je toon te scherp vindt. Dat mag natuurlijk; mensen mogen mijn woorden hard, onaangenaam of werkelijk verschrikkelijk vinden. Dat is een persoonlijke reactie en daar valt weinig tegenin te brengen.
Alleen gebeurt er iets wezenlijk anders zodra ik vind jouw toon onprettig zonder verdere onderbouwing promoveert naar zo bereik je mensen niet.
Vanaf dat moment zegt iemand niet meer iets over zijn eigen reactie op mijn woorden, maar over mijn publiek, mijn bereik en zelfs de strategische effectiviteit van mijn werk, zonder ook maar iets van die drie dingen te weten. Persoonlijke smaak heeft ongemerkt een colbert aangetrokken en is als expertise aan tafel gaan zitten.
Dat is behoorlijk aanmatigend.
Wanneer iemand beweert te weten wat mensen van mijn toon vinden, doet diegene een claim over een publiek. En een claim wordt niet vanzelf kennis omdat hij lekker vertrouwd klinkt, voor die persoon zelf.
Juist daar zag ik in een recent gesprek iets fascinerends gebeuren. Eerst was mijn formulering het probleem, daarna het publiek dat ik er kennelijk niet mee zou bereiken en toen ik vroeg waarop die voorspelling eigenlijk gebaseerd was, draaide de bewijslast zonder veel ceremonie mijn kant op. Ik moest aantonen dat mijn manier van communiceren wél werkte, mijn bronnen en expertise mochten worden onderzocht en mijn argument moest zich opnieuw legitimeren.
De oorspronkelijke uitspraak (het mythische: zo bereik je mensen niet) had ondertussen geen enkel bewijs nodig gehad. Die mocht zonder paspoort naar binnen omdat hij voldoende op gezond verstand leek; de inhoud waar het gesprek ooit over ging was allang verdwenen.
We hebben een bewijsloket met één ingang.
Dat mechanisme zie je veel breder. Ervaring wordt ineens anekdotisch zodra ze een bestaande overtuiging tegenspreekt, boosheid kan degene die spreekt minder objectief doen lijken en een statistiek wordt keurig geaccepteerd zolang de uitkomst vertrouwd voelt; zodra de cijfers iets vervelends zeggen, wordt de steekproef plotseling buitengewoon interessant.
Dat is geen objectiviteit. Dat is epistemische gatekeeping: de norm begint met geloofwaardigheid, degene die hem tegenspreekt begint met huiswerk.
En intussen is de oorspronkelijke inhoud verdwenen. Je wilde het over het argument hebben; uiteindelijk zat je uit te leggen waarom je het überhaupt op deze manier mocht zeggen.
Gatekeeping hoeft je mond dus niet letterlijk dicht te houden. Het kan ook bepalen hoe je moet spreken voordat je geacht wordt gehoord te mogen worden. Koekoek. De omgekeerde wereld.

3. Het keuringsloket dat alleen maar iedereen wil meenemen
De laatste gatekeeper van dit stuk is misschien wel de sympathiekste en daardoor de lastigste om te herkennen. Zij wil verbinden, vindt polarisatie gevaarlijk, gelooft in nuance en vraagt zich bij een scherpe analyse af of die niet wat breder, zachter of toegankelijker kan, zodat meer mensen zich erin herkennen. Over welke mensen hebben we het hier dan vaak? Juist, ‘de norm’, waar dit hele stuk uiteindelijk over gaat.
Die wens begrijp ik werkelijk. Ik wil zelf ook gelezen worden door mensen die niet al vóór de eerste zin met me eens zijn; anders kan ik net zo goed een spiegel tegenover mijn bureau zetten en iedere ochtend tevreden precies! zeggen.
Alleen heeft het woord breed wel degelijk een duidelijke eigenaar.
Wie is het brede publiek waarvoor een analyse zich moet verbreden? Welke lezer krijgt impliciet het recht om zichzelf nooit als specifieke groep te hoeven ervaren, zodat een tekst waarin hij niet automatisch centraal staat ineens smaller wordt?
Vrouwen hebben generaties wetenschap, geschiedenis, literatuur, geneeskunde, politiek en cultuur tot zich genomen waarin mannen moeiteloos voor de mens konden doorgaan. Mensen van kleur hebben leren navigeren door verhalen waarin witheid niet eens als perspectief werd benoemd omdat het simpelweg de achtergrondkleur van de werkelijkheid leek.
Daar hebben we lang geen herkenbaarheidscrisis van gemaakt.
Zodra de standaardlezer zelf één keer moet vertalen, ontdekken we plotseling inclusiviteit.
Meine gute.
Het probleem is daarmee niet dat verbinding waardeloos is, maar dat verbinding zelf een gatekeepingcriterium kan worden wanneer degene die macht benoemt verantwoordelijk wordt gemaakt voor het comfort van degene wiens positie eindelijk niet meer universeel wordt behandeld.
Goede bedoelingen veranderen dat mechanisme niet.
Goede bedoelingen zijn soms juist zijn beste camouflage.
En toen ging een witte man uitleggen wie de werkende klasse is
Oeps, zeg ik dat echt? Ja, dat zeg ik écht. Want hier wordt het mechanisme nog duidelijker, omdat gatekeeping bepaald niet ophoudt wanneer iemand zichzelf links, progressief of zelfs revolutionair noemt.
Bob Scholte van Left Laser heeft recent uitgebreid met Tim Hofman gesproken over communisme, klassenstrijd, ‘woke’ en intersectionaliteit. Zijn kritiek is, samengevat, dat de sterke nadruk op intersectionaliteit binnen een deel van links niet aanslaat bij de werkende klasse en daarmee een succesvolle klassenbeweging in de weg kan zitten. Hij zegt daarbij expliciet dat hij de rechten van minderheden hard wil verdedigen; zijn argument is vooral strategisch.
Daar kun je inhoudelijk over discussiëren.
Wat mij vooral interesseert is de norm die hier opnieuw in de grammatica kruipt.
Want wie bedoel jij precies met de werkende klasse wanneer vrouwen, mensen van kleur, queer mensen, mensen met een beperking of migranten vervolgens lijken te verschijnen als specifieke identiteiten naast die klasse?
Er bestaat geen arbeider zonder gender, ras, seksualiteit, lichaam, eventuele beperking, migratiegeschiedenis, gezin of zorgtaken. Een verpleegkundige is niet eerst arbeider en pas nadat iemand intersectionaliteit heeft uitgevonden ook nog even vrouw. Iemand die in een magazijn werkt laat zijn huidskleur niet in een kluisje achter omdat het gesprek vandaag over loon gaat. Een schoonmaker die ook lesbisch is verandert gedurende haar dienst niet tijdelijk in een kleurloos, geslachtsloos, heteroseksueel wezen totdat de identiteitspolitiek haar na vijf uur weer komt ophalen.
De werkende klasse was al intersectioneel voordat iemand het woord gebruikte, Bob.
Intersectionaliteit is een herijking.
Niet alles op één hoop gooien, maar beter zien wat we te lang los van elkaar hebben bekeken. Klasse is daar geen uitzondering op. De werkende klasse wordt niet intersectioneel doordat iemand gender of ras benoemt; ze was het al.
Kimberlé Crenshaw ontwikkelde het begrip intersectionaliteit juist omdat analyses die maar één machtsas tegelijk bekijken mensen op de kruising kunnen laten verdwijnen. Zwarte vrouwen konden bijvoorbeeld uit beeld vallen in een feminisme waarin de impliciete standaardvrouw vooral wit was én in antiracistische analyses waarin de mannelijke ervaring gemakkelijk als algemene zwarte ervaring kon functioneren. Intersectionaliteit voegt dus niet achteraf een serie identiteitsstickers aan een zuiver klassenverhaal toe; ze onderzoekt juist hoe verschillende machtsstructuren in hetzelfde leven tegelijkertijd werken.
Klasse verdwijnt daar helemaal niet door.
Ze wordt preciezer.
Gender beïnvloedt zeker wie onbetaalde zorg draagt en hoeveel betaalde arbeid beschikbaar is. Racisme beïnvloedt toegang tot banen, woningen en promoties, een migratiestatus kan rechtstreeks ingrijpen op uitbuiting en bestaanszekerheid, en een beperking kan mede bepalen welke soorten arbeid überhaupt toegankelijk zijn. De norm bepaalt ook nog eens welke soort betaalde arbeid het meeste geld verdient.
Intersectionaliteit vervangt klasse niet. Ze voorkomt dat één soort arbeider de hele klasse mag spelen.
En precies daar wordt Bobs argument voor dit stuk zo interessant.
Natuurlijk mag een witte man over klasse spreken. Be my guest. Het tegendeel zou een nogal infantiele conclusie zijn. Het punt is dat zijn witheid, mannelijkheid en heteroseksualiteit in zo’n algemene analyse veel gemakkelijker kunnen verdwijnen, juist omdat ze zo dicht tegen de norm aan liggen.
Zijn identiteit krijgt alleen gemakkelijker toestemming om voor mens door te gaan.
Daar zit privilege.
Draai het om en je ziet het meteen. Stel dat een zwarte vrouw vanuit haar eigen positie de hele werkende klasse definieert, witte mannen vervolgens consequent werkende witte mannen noemt en concludeert dat hun specifieke identitaire ervaringen de universele klassenstrijd vooral niet te veel mogen versnipperen. Niemand zou vergeten dat zij vanuit een specifieke positie spreekt. Dat háár positie vervolgens ongemerkt als universele, identiteitsloze norm zou worden gelezen? Dat bestaat in onze huidige werkelijkheid simpelweg niet. Precies dát is het punt.
Bij een witte man kan die positie veel gemakkelijker verdwijnen achter het universele zelfstandig naamwoord.
En dát is gatekeeping.
Niet alleen bepalen wie een podium, baan of kamer binnen mag, maar ook bepalen welke werkelijkheid bij de ingang als werkelijk materieel wordt erkend en welke wordt omgedoopt tot identiteitspolitiek.
Het wrange is dat iemand dat volledig oprecht kan doen vanuit de wens een grotere solidariteit op te bouwen.
Links zijn heft de norm niet automatisch op.
Progressief zijn evenmin.
Je kunt de wereld willen veranderen terwijl je nog steeds vanuit dezelfde standaardmens naar de wereld kijkt.
Dat is misschien wel de lastigste gatekeeper om te herkennen.
De vrouw mag binnen. Graag wel zonder aan de meubels te komen
Degene die de norm bewaakt hoeft bovendien helemaal geen witte man te zijn. Een norm die afhankelijk blijft van degene die hem heeft ontworpen zou uiterst inefficiënt zijn.
Belle Derks, Francesca Manzi, Colette van Laar en Naomi Ellemers publiceerden in 2026 onderzoek met de bijna onfatsoenlijk toepasselijke titel Don’t rock the boat!
In vijf experimenten onderzochten zij hoe mannelijke en vrouwelijke leiders werden beoordeeld wanneer zij bestaande genderverhoudingen ondersteunden of expliciet ter discussie stelden. Vooral mannelijke beoordelaars konden vrouwelijke leiders prima accepteren, maar beoordeelden vrouwen die zich gemakkelijker voegden naar de bestaande orde gunstiger dan vrouwen die structurele genderongelijkheid nadrukkelijk benoemden. Een relatief gematigde, ‘genderblinde’ vrouwelijke kandidaat deed het in een van de studies bijzonder goed op fit en selectie.
Dat is veel interessanter dan de simpele mededeling dat mannen geen vrouwelijke leiders zouden willen.
De vrouw kan binnen.
Slim, zelfstandig, competent, hoogopgeleid en desnoods als levende illustratie van diversiteit op de website.
Yay.
Zolang haar aanwezigheid maar niet automatisch betekent dat iedereen daarna ook de fundering van het gebouw moet bespreken.
Daarom vind ik het klassieke verhaal over de queen bee zo onbevredigend. Natuurlijk kunnen vrouwen andere vrouwen tegenwerken. Ze kunnen jongere vrouwen harder beoordelen, ze vertellen dat ze hun toon moeten aanpassen, seksisme bagatelliseren of de ladder waarop zij zelf omhoog zijn geklommen achter zich optrekken.
Als we daar stoppen, heeft het verhaal alleen superhandig einde.
Het patriarchaat kan even koffie halen. Later! Zoek het onderling maar even uit!
Dat onderzoek laat juist zien dat zogenoemd queen-bee-gedrag en self-group distancing onder bepaalde omstandigheden kunnen ontstaan als reactie op discriminatie en sociale-identiteitsdreiging in sterk mannelijk gecodeerde omgevingen. Vrouwen kunnen zich van andere vrouwen distantiëren, eigenschappen benadrukken die hen dichter bij de dominante groep plaatsen en bestaande ongelijkheid minder nadrukkelijk erkennen. Vergelijkbare processen worden bovendien ook bij andere gemarginaliseerde groepen gevonden.
Schadelijk gedrag wordt daar niet ineens aardig van.
De vraag wordt alleen beter.
Niet: wat een rotwijf.
Maar: wat heeft zij moeten leren om toegang te krijgen?
Het is een soort overleven binnen de hard afgestelde kaders.
Welke eigenschappen werden beloond, van welke vrouwen moest zij aantonen dat ze vooral níét zo was en hoeveel veiligheid zat er in ‘ik ben niet zo’n vrouw of ik ben echt niet zo’n feminist?’
Wanneer je twintig jaar lang hebt geleerd dat bepaalde aanpassingen nodig zijn om serieus genomen te worden, kan iemand die later binnenwandelt en hardop vraagt waarom die voorwaarden überhaupt bestaan niet alleen het systeem maar ook een stuk van jouw eigen levensverhaal ter discussie stellen.
Je hebt de handleiding uitstekend geleerd.
Nu zegt iemand dat de handleiding zelf scheef is.
Dat wringt. Het gaat namelijk aan je hele identiteit zitten. En deconstructen is nu eenmaal een bitch ;)
Naomi heeft de regels niet bedacht
Daarom bleef moeder Naomi uit de serie Crazy Ex-Girlfriend tijdens het schrijven in mijn hoofd rondspoken. Rebecca’s moeder (dé moeder in dit stuk) bewaakt haar gewicht, uiterlijk, succes, partnerkeuze, status en ongeveer iedere andere regel waarmee haar dochter als aanvaardbare vrouw kan worden beoordeeld; ze is tegelijk hilarisch, afschuwelijk en soms pijnlijk herkenbaar.
Alleen heeft Naomi het systeem niet persoonlijk ontworpen.
Ze kent de handleiding. Vader is heerlijk afwezig, dus ja. Geen schuld daar natuurlijk. Alles op de moeder. De moeder die er ondertussen wel altijd gewoon wás, en zelf ook een gelaagd mens is natuurlijk.
Daar schreef ik dus eerder al over in Crazy Ex-Girlfriend: een culturele blik hoeft op een gegeven moment niet meer voortdurend van buitenaf te worden opgelegd wanneer mensen hem zelf leren herkennen, op zichzelf toepassen en vervolgens aan elkaar doorgeven. Dat heet internalisatie en is heel menselijk, dat doen we allemaal.
Een norm kan eeuwen blijven reizen nadat degene die hem ooit opschreef al lang verdwenen is.
We hebben ook nog een bijna onovertroffen zin in dit geheel die maskereert als ‘zorg’:
Ik zeg dit alleen omdat ik het beste met je voorheb.
Op een gegeven moment is een gatekeeper gewoon iemand die bijzonder goed heeft geleerd wat normaal heet en hoe jij je daar het beste naar kan schikken.
‘Ik heb het toch ook gered?’
Daaronder zit nog iets dat menselijk genoeg is om behoorlijk hardnekkig te worden.
Stel dat jij jarenlang hebt geleerd hoe je door een smalle poort komt. Je hebt harder gewerkt, gevechten laten liggen, jezelf aangepast, grappen verdragen waar je geen zin in had, geleerd hoe je in bepaalde kamers moet praten, je beschikbaar gehouden en uiteindelijk een positie bereikt waarop je terecht trots bent.
Wanneer iemand vervolgens zegt dat de route zelf misschien scheef was, raakt die analyse ook aan jouw eigen prestatie.
Als de poort niet volledig eerlijk was, wat zegt dat dan over alles wat jij hebt gedaan om erdoorheen te komen?
Binnen system justification theory wordt onderzocht hoe mensen bestaande maatschappelijke verhoudingen als logisch, redelijk of verdiend kunnen legitimeren. Ook wanneer daarin ongelijkheid zit. Daar hoeft geen kwaadaardige verdediging van onrecht achter te zitten. Een wereld waarin inspanning en uitkomst ongeveer logisch op elkaar aansluiten is psychologisch nu eenmaal comfortabeler dan een wereld waarin eigen verdienste voortdurend wordt doorkruist door toeval, geschiedenis, klasse, privilege en macht. Natuurlijk.
Daarom zijn zinnen als ik heb daar zelf nooit last van gehad, ik heb ook kinderen en werk gewoon fulltime, ik heb geen quotum nodig gehad of je moet gewoon goed genoeg zijn zo krachtig. Een individuele prestatie kan ongemerkt bewijs worden voor de eerlijkheid van het hele systeem waarin die prestatie plaatsvond. De uitzondering op de regel.
En precies daar zit de meritocratische mythe. Dat de uitkomst ons vertelt wie de beste was, alsof iedereen vanaf dezelfde plek vertrok, langs dezelfde meetlat werd gelegd en vergelijkbare toegang had tot tijd, geld, onderwijs, gezondheid, veiligheid, zorg en netwerken. Talent, inzet en prestaties bestaan natuurlijk; meritocratie als neutraal verdeelsysteem niet. We presteren op een speelveld dat al vóór onze eerste stap is ingericht en noemen de uitkomst daarna verdienste.
Je kunt ontzettend hard gewerkt hebben en veel hebben bereikt binnen een route waarop tegelijkertijd eisen lagen die nooit neutrale maatstaven voor kwaliteit waren.
Toegeven dat geluk, omstandigheden, hulp of toegang ook onderdeel van jouw succesverhaal zijn haalt je eigen werk daar niet ineens uit.
Het maakt alleen het meritocratische sprookje wat minder gezellig.
Een deur kan ook heel zorgzaam dichtblijven
Seksisme heeft helemaal geen vijandigheid nodig. Onderzoek naar ambivalent seksisme laat juist zien hoe positief klinkende, beschermende of idealiserende ideeën over vrouwen traditionele rollen kunnen bevestigen. Complimenten doen daar trouwens vrolijk aan mee: wie voortdurend waardering krijgt voor haar uiterlijk, zorgzaamheid of prachtige huis leert óók waar de sociale beloning ligt.
Mijn man hoeft één luier te verschonen en iemand kan míj vertellen hoeveel geluk ik met hem heb. Niemand heeft hem ooit apart gefeliciteerd met het feit dat ík goed voor onze kinderen zorg.
Blijkbaar verdient zorg pas een trofee wanneer een man hem uitvoert.
Cute.
Een leidinggevende bijvoorbeeld hoeft dus nergens te zeggen dat een moeder een topfunctie niet aankan wanneer hij zich werkelijk bezorgd kan afvragen of zo’n baan niet te zwaar wordt met jonge kinderen, of zij wel gelukkig wordt in zo’n harde omgeving en of dit misschien eenvoudig niet het juiste moment in haar leven is. Dat kan ze best zelf bepalen als volwassen vrouw, thank you very much.
Iedere afzonderlijke zorg kan gemeend zijn.
De verdeling ervan verraadt meer.
Een vader met drie jonge kinderen kan een enorme functie aannemen zonder dat de organisatie plotseling een existentiële bezinning organiseert over de combinatie van vaderschap en leiderschap. Bij een moeder kan precies dezelfde vraag als verantwoord personeelsbeleid klinken.
Zachte gatekeeping werkt juist zo goed omdat het niet voelt alsof iemand de deur dichtgooit.
Het voelt alsof iemand hem heel attent voor je vasthoudt.
Aan de verkeerde kant.
De meetlat achter deel #1 en #2
Hier sluiten de eerste twee delen van Patriarchy aan zonder dat ik ze helemaal opnieuw hoef te schrijven.
Patriarchy #1 — Deeltijdprinsesjes bestaan niet ging uiteindelijk over een manier van tellen: betaald werk wordt moeiteloos gewoon werk. Zorg, huishouden, mentale belasting en de arbeid waarop dat betaalde leven rust verdwijnen veel gemakkelijker uit de telling, waarna vrouwen die minder betaalde uren maken als logisch gevolg ook minder ambitieus kunnen lijken.
In Patriarchy #2 — Gold Diggers bestaan wel. Alleen zijn het niet de vrouwen. gebeurde hetzelfde met waarde binnen relaties. De vrouw die financiële zekerheid of status meeweegt krijgt een karakterlabel. En wederom worden zorg, seks, beschikbaarheid, carrière-aanpassing, emotionele arbeid en tijd die aan de andere kant verdwijnen veel gemakkelijker onder het vriendelijkere woord liefde geboekt.
De eerste twee delen keken dus naar twee uitkomsten van een telling die vanzelfsprekend leek.
Dit derde deel kijkt één stap eerder.
Wie bepaalt wat überhaupt telt als werk, ervaring, deskundigheid, professionaliteit, geloofwaardigheid, redelijkheid of verdienste?
Of, iets minder netjes:
Wie heeft die rekenmachine in hemelsnaam ingesteld?
Gatekeepers in het wild
Misschien is dit de gemakkelijkste manier om ze na dit stuk te herkennen: niet doordat iemand zegt vrouwen horen hier niet, maar doordat precies op het moment dat een bestaande norm wordt uitgedaagd een extra keuringscriterium verschijnt. Hebben we het haar wel gevraagd? Zo bereik je mensen niet. Bij ons werkt het anders. We moeten ook de andere kant meenemen. Dit is niet professioneel. We zoeken gewoon de beste.
Geen van die zinnen is automatisch gatekeeping.
Dat zou te makkelijk zijn.
De interessante vraag is steeds dezelfde: moet de norm die hier wordt beschermd aan dezelfde test voldoen als degene die hem bevraagt? Zo niet: bingo. Keuringsloket gevonden.
En nu wordt het vervelend voor degene die dit leest
Tot hier is Gatekeepers een bijzonder prettig stuk wanneer je tijdens het lezen voortdurend iemand anders in gedachten houdt.
Pierre. Bob. Die ene manager. Een man op internet. Een vrouw die altijd vertelt dat zij persoonlijk nooit seksisme heeft ervaren.
Die progressieve kennis die ontzettend vóór gelijkheid is zolang de analyse niet iets vervelends over zijn eigen uitgangspositie zegt.
We hebben kandidaten genoeg.
En precies zo kan de norm opnieuw buiten beeld verdwijnen.
Dus probeer iets anders.
Denk aan een vrouw die je vrijwel onmiddellijk veel vindt. Niet iemand die aantoonbaar verschrikkelijk werk doet of werkelijk een volkomen onuitstaanbaar mens is (daarmee maken we het ons wel erg comfortabel) maar iemand bij wie je sneller irritatie voelt omdat ze bijvoorbeeld gewoon veel ruimte inneemt, zichtbaar ambitieus is, ongegeneerd zichzelf is. Misschien formuleert ze iets boos in jouw ogen of verdedigt ze haar eigen belang zonder ellenlange disclaimer. Ze heeft misschien helemaal geen grote behoefte om sympathiek of aardig of lief gevonden te worden. Of ze spreekt zo lekker duidelijk uit dat niemand achteraf kan doen alsof hij niet begreep wat ze bedoelde.
Misschien verschijnt er vanzelf een woord… Arrogant. Berekenend. Hard. Dominant. Agressief. Slachtofferig. Radicaal. Vermoeiend. Te activistisch. Te scherp. Niet verbindend. De classics inmiddels.
Je hoeft het oordeel helemaal niet meteen te corrigeren. Dat zou vooral een vermoeiend innerlijk diversiteitstrainingetje opleveren en sommige mensen (dus ja ook zeker vrouwen) zijn gewoon bloedirritant. God beware dat feminisme ook dat nog van ons afpakt.
Blijf alleen iets langer bij wat zij anders zou moeten doen voordat jij haar prettiger vindt en dan ook echt gaat luisteren naar wát ze zegt.
Iets zachter spreken misschien. Meer twijfel laten zien. Eerst zeggen dat de andere kant het vast goed bedoelt. Haar eigen competentie wat minder zichtbaar dragen. Een grapje maken. Meer begrip tonen voor degene die haar positie ter discussie stelt.
Wat zachter en liever en vrouwelijker zijn. Please.
En dan wordt het nog interessanter.
Hoeveel van die aanpassing zou haar argument, haar werk of haar leiderschap werkelijk beter maken? En hoeveel zou er vooral voor zorgen dat zij weer prettiger past binnen een regel waarvan je tot vijf minuten geleden niet eens wist dat je hem kende?
Ik weet het antwoord daarop zelf lang niet altijd.
Dat is precies waarom die vraag zo nodig is.
Onze eerste reactie op wat normaal voelt komt namelijk nergens uit de lucht vallen. We leven in een wereld waarin de ongemarkeerde mens eeuwenlang de hele tijd op dezelfde mens leek. We zagen dezelfde leiders, lazen dezelfde geschiedenissen, kregen dezelfde medische en professionele standaarden aangeleerd en leerden dezelfde eigenschappen bij de ene persoon als ambitieus en bij de andere als arrogant te herkennen.
Waarom zouden al die associaties spontaan uit ons hoofd verdwijnen zodra we onszelf feminist, links, progressief of antiracist noemen?
De bedoeling is dus niet dat je vanaf nu nooit meer een vrouw irritant mag vinden.
Kijk alleen af en toe naar de meetlat waarmee je dat oordeel maakte. Check de norm.
De poort staat open. De vloer is nog steeds scheef.
De moderne gatekeeper hoeft zichzelf niet als gatekeeper te herkennen. Waarschijnlijk doet de effectiefste dat juist niet. Die denkt werkelijk dat hij kwaliteit bewaakt, objectief probeert te blijven, nuance toevoegt, mensen wil verbinden, zorgvuldig bewijs vraagt of erop let dat uiteindelijk gewoon de beste persoon op de juiste plek terechtkomt.
Daarom interesseert de vraag wie is hier de seksist? me steeds minder.
Die maakt het probleem bijna geruststellend klein. We kunnen één verkeerd mens aanwijzen, vaststellen dat wij gelukkig beter zijn en vervolgens de werkelijk hardnekkige dingen op tafel laten liggen. Die meetlat, de categorie, het ‘objectieve perspectief’, de ‘redelijke toon’, de universele arbeider, de standaardmens zonder bijvoeglijk naamwoord.
Want dat is uiteindelijk wat al die voorbeelden met elkaar verbindt.
We redeneren vanuit een historische norm die zichzelf niet meer als perspectief hoeft te presenteren. Daardoor kan een asymmetrische situatie worden behandeld alsof alle partijen op hetzelfde neutrale veld staan; en zo wordt degene die dat aanwijst vervolgens als onredelijk ervaren.
Dat is waarom gatekeeping zo moeilijk te duiden is. De diepste regels komen zelden binnen met een knipperend bord waarop HIER SPREEKT DE NORM staat. Ze voelen vaak als gezond verstand, juist omdat we zo lang vanuit dezelfde nulmeting hebben gekeken. Een seksistische diskwalificatie kan daardoor doorgaan voor een serieuze vraag over ervaring, tone policing voor vriendelijk advies over bereik, een individuele uitzondering voor weerlegging van een systeem, het comfort van de dominante groep voor beide kanten, de witte man voor de werkende klasse en intersectionaliteit voor de identiteit die iemand anders plotseling aan een zogenaamd neutraal verhaal heeft toegevoegd.
Terwijl die identiteit al die tijd in de kamer zat.
Alleen die van de norm mocht onzichtbaar blijven.
En daarom hoef je de volgende keer dat een vrouw, collega, schrijver, leider, activist of willekeurige vreemde op internet je onmiddellijk te luid, ambitieus, boos, moeilijk, berekend, radicaal of werkelijk vreselijk slecht in verbinden lijkt helemaal niet plotseling geweldig te vinden. Sommige mensen zijn gewoon irritant. En gelukkig mag je dat vinden.
Blijf alleen één seconde langer bij de meetlat waarmee je haar beoordeelde.
Welke regel denk ik hier eigenlijk te beschermen?
Want misschien is dat uiteindelijk waarom de poortwachter zo moeilijk te herkennen is: we zoeken nog altijd iemand die voor de deur staat, terwijl een norm die lang genoeg bestaat helemaal geen bewaker in uniform meer nodig heeft. Hij reist mee in wat wij normaal, redelijk, professioneel, objectief en geloofwaardig zijn gaan vinden. Zelfs bij mensen die die wereld oprecht willen veranderen.
En als je hem eenmaal ziet, krijg je hem bijzonder slecht weer ongezien.
Ze heeft ons geleerd de sleutel zelf vast te houden.
Welke gatekeeper-zin ben jij gaan herkennen? Het waren er hier te veel om op te noemen en ik mis er zeker weten nog heel veel…
PATRIARCHY
Dit is deel #3 van Patriarchy, de PARELS-serie waarin ik woorden, labels en ideeën pak die onschuldig, grappig of volkomen logisch zijn gaan klinken en iets langer blijf kijken naar de regels die eronder liggen.
→ Patriarchy #1 — Deeltijdprinsesjes bestaan niet
Over betaald werk, onbetaalde arbeid en waarom ‘minder werken’ opvallend vaak betekent dat een groot deel van het werk simpelweg niet wordt meegeteld.
→ Patriarchy #2 — Gold Diggers bestaan wel. Alleen zijn het niet de vrouwen.
Over geld, liefde, zorg en waarom vrouwelijke hebzucht zo gemakkelijk een naam krijgt terwijl wat uit vrouwenlevens wordt gehaald veel makkelijker onzichtbaar blijft.
→ Patriarchy #3 — De gatekeepers van de norm
Over de meetlat: wie bepaalt wat redelijk, professioneel, geloofwaardig en normaal mag heten?
Patriarchy is hiermee overigens niet klaar. Helaas beschikt het systeem over uitstekend voorraadbeheer.
Nieuw bij PARELS?
Begin bij Raquel’s Edit en verdwaal lekker verder.
Bronnen & Verder lezen
Sarina Wiegman — vijf opeenvolgende grote finales / drie EK-titels. BBC Sport — What makes Euro 2025-winning manager Wiegman so successful? en NOS — record met vijf finales op rij
Van Hooijdonk over Wiegman / mannenwereld. NL Times — Wiegman not ready to lead Dutch men’s team en RTL — Van Hooijdonk licht uitspraken opnieuw toe
Wiegman over vrouwen die mannen coachen + Sparta-ervaring. BBC Sport — female manager in men’s game ‘only a matter of time’
Actuele mannelijke bondscoaches bij Nederlandse vrouwenteams. KNHB — Raoul Ehren / OranjeHockey Dames · Volleybal.nl — Felix Koslowski / TeamNL Volleybaldames · Handbal.nl — Henrik Signell / TeamNL Handbaldames
Masculine defaults / ideal worker. Kelly et al. — Gendered Challenge, Gendered Response en Williamson et al. — ideal worker as White, middle-class, able-bodied man
Role congruity / competence. Eagly & Karau — Role Congruity Theory
Intersectionaliteit. Crenshaw, Demarginalizing the Intersection of Race and Sex. University of Chicago Legal Forum — Crenshaw 1989
Bob Scholte / intersectionaliteit versus klassenstrategie. Tim Hofman — uitleg van Scholtes kritiek op ‘woke’
Masculine defaults. Sapna Cheryan & Hazel Rose Markus, Masculine Defaults: Identifying and Mitigating Hidden Cultural Biases, Psychological Review (2020), DOI 10.1037/rev0000209. PubMed — Masculine Defaults
Competence shield. Zhiyu Feng, Anyi Ma, Priyanka Dwivedi & Fangzhou Liu, The competence shield: Fostering competence perceptions weakens the dominance penalty for women in leadership, Journal of Applied Psychology 111(2), 2026, DOI 10.1037/apl0001279. PubMed — The competence shield
Don’t Rock the Boat! Belle Derks, Francesca Manzi, Colette van Laar & Naomi Ellemers, Don’t rock the boat! Do men prefer women leaders who support the status quo?, British Journal of Social Psychology 65(2), 2026, DOI 10.1111/bjso.70053. PubMed — Don’t Rock the Boat!
Queen bee / self-group distancing. Belle Derks, Colette van Laar & Naomi Ellemers, The Queen Bee Phenomenon: Why Women Leaders Distance Themselves from Junior Women, The Leadership Quarterly 27(3), 2016, DOI 10.1016/j.leaqua.2015.12.007. ScienceDirect — The Queen Bee Phenomenon
System justification. John T. Jost & Mahzarin R. Banaji, The role of stereotyping in system-justification and the production of false consciousness, British Journal of Social Psychology 33(1), 1994, DOI 10.1111/j.2044-8309.1994.tb01008.x. Wiley — System justification
Ambivalent / benevolent sexism. Peter Glick & Susan T. Fiske, The Ambivalent Sexism Inventory: Differentiating Hostile and Benevolent Sexism, Journal of Personality and Social Psychology 70(3), 1996, DOI 10.1037/0022-3514.70.3.491. Princeton — Ambivalent Sexism Inventory
Grensoverschrijdend gedrag in de Nederlandse sport. CentERdata & I&O Research in opdracht van NOC*NSF/VWS, prevalentieonderzoek 2020. Bij seksueel grensoverschrijdend gedrag was 87% van de gerapporteerde daders man; in ongeveer een kwart van de gevallen ging het om een mannelijke coach. NOC*NSF — prevalentieonderzoek










Zou ik je iets mogen vragen? (En vergeef me mijn onnozelheid, want ik ben met traditionele normen en waarden opgevoed, maar sta niet overal achter en probeer het echt allemaal te begrijpen.) Niet om in een discussie te verzanden, maar gewoon uit interesse.
Na het lezen heb ik je artikel over 'Deeltijdprinsesjes' eens opgezocht. Daarin heb je het over betaalde en onbetaalde arbeid. Wat mij opviel, is dat daarin onbetaalde arbeid direct gelinkt wordt aan zorg. Als in: onbetaald werk = zorg = moeder(schap/-instinct). Is dat niet precies zo'n scheve norm als waar je het in bovenstaand artikel over hebt? Dat het runnen van een huishouden als vorm van zorg wordt gezien en niet als volwaardige carrière? Oftewel: een maaltijd op tafel zetten (wat ik doe) beschouwt men als (onbetaalde) zorg en het grove werk, zoals bijv. het repareren van een lekke dakgoot (wat manlief doet), niet?